Contact Us

Use the form on the right to contact us.

You can edit the text in this area, and change where the contact form on the right submits to, by entering edit mode using the modes on the bottom right. 

30 Prinsessegracht
Den Haag, ZH, 2514 AP
Netherlands

Museum Meermanno | Huis van het boek (vroeger Meermanno-Westreenianum) is het oudste boekenmuseum ter wereld. Het is gevestigd in het voormalige woonhuis van de stichter van het museum Willem Hendrik Jacob baron van Westreenen van Tiellandt (1783-1848) aan de Prinsessegracht in Den Haag en richt zich op het geschreven en gedrukte boek in al zijn vormen, in heden en verleden. De ontwikkeling van de vormgeving van zowel oude als moderne boeken staat daarbij centraal.

Over de verzamelaar

OVER DE VERZAMELAAR

J.R. Post Brants, Portret van Baron van Westreenen, omstreeks 1839 [Inv.nr. 25/9]

J.R. Post Brants, Portret van Baron van Westreenen, omstreeks 1839 [Inv.nr. 25/9]

Willem Hendrik Jacob van Westreenen van Tiellandt (1783-1848) wist al jong wat hij wilde worden. Op zijn veertiende schreef hij in een brief aan zijn achterneef Johan Meerman, in rammelend Frans: ‘Ce sera pour moi toute une fortune que de devenir boek-wurm, et pour lors je solicite votre pratique pour les livres classiques’ (‘Ik droom ervan om een “boek-wurm” te worden, en daarom doe ik voor de klassieke boeken een beroep op uw ervaring.’)

Een jongen van veertien die boekenwurm wil worden – ook toen, aan het eind van de 18de eeuw, moet dat tamelijk zeldzaam zijn geweest.

De jonge Willem woonde indertijd vlak bij zijn achterneef. Johan Meerman resideerde in het ‘Huis aan den Boschkant’, een klein ‘stadspaleis’ op de hoek van het Korte Voorhout en de Prinsessegracht. De jonge Willem kwam graag bij zijn dertig jaar oudere neef, die over een schitterende bibliotheek beschikte. Meermans boekerij, met zijn prachtige collectie handschriften en oude drukken, zou voor Van Westreenen een lichtend voorbeeld blijven.

Er zijn diverse redenen om aan te nemen dat Willem van Westreenen een excentrieke, onaangepaste man was. Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn loopbaan. Een dag voor zijn zestiende verjaardag ging hij vrijwillig in dienst bij het Bataafse (Nederlandse) leger. Hij begon aan een opleiding tot genieofficier, die hij nooit voltooide. In 1805 liet hij zich als rechtenstudent inschrijven aan de universiteit van Leiden, maar er bestaan geen aanwijzingen dat hij daar ook werkelijk heeft gestudeerd. 

Ondanks zijn afkomst en relaties slaagde Van Westreenen er nooit in om een politieke functie van enige betekenis te krijgen. ’Tot zijn dood toe bleven zijn functies beperkt tot ereambten’, concludeerde conservator Jos van Heel in 1998 in het boekje Drie verzamelaars en een museum.

Ook uit verklaringen van tijdgenoten en anekdotes achteraf weten we dat Van Westreenen – die zich vanaf 1821 baron mocht noemen – een excentrieke indruk maakte. Hij was erg beweeglijk en viel op door zijn ’wat zonderlinge kleding en gedrag’, zoals het ergens heet. Zijn liefde voor zijn honden was buitensporig (zie nummer 29 in deze catalogus) en ook was hij wel érg trots op zijn onderscheidingen (zie nummer 9).

In 1848, kort na de dood van baron Van Westreenen, schreef F. de Reiffenberg in een necrologie in het Bulletin du bibliophile belge: ’De heer Van Westreenen bezat naar men zegt een onschatbare collectie topstukken van de boekdrukkunst. Maar omdat hij buitensporig gehecht was aan die schat, bevreesd dat een ander naar die banden onderzoek zou doen dat hij zelf van plan was – zonder zich daar ooit aan te wagen –, en beducht voor de uitwerking van het boze oog, de schennende handen en zelfs de schadelijke adem van bezoekers, borg hij zijn bibliotheek achter slot en grendel en heeft hij haar in de veertig jaar dat hij haar bijeenbracht aan niemand laten zien, zelfs niet aan zijn naaste vriend Holtrop.’

Overigens was het J.W. Holtrop, indertijd ’hoofdbestuurder’ van de Koninklijke Bibliotheek (KB), wel bijna een keer gelukt om de boeken van Van Westreenen te zien, zo meldde de Arnhemsche courant op 22 juli 1878, in een artikel over Museum Meermanno. Waarschijnlijk is dit artikel geschreven door, of gebaseerd op informatie van M.F.A.G. Campbell, zwager van Holtrop, onderbibliothecaris bij de KB en de toenmalige beheerder van het Meermanno.

’Na een aanhouden, dat jaren lang duurde, gelukte het eindelijk den voormaligen bibliothecaris Holtrop, een even groot boekenkenner en minnaar als van Westreenen, hem de vergunning te ontrooven van die schatten op de bovenvoorkamer aan den Boschkant te mogen bezigtigen. Maar het berouw over deze gulheid deed den naijverigen eigenaar aan die bezigtiging zulke dolle voorwaarden verbinden, dat Holtrop boos werd en hem voor die buitengewone eer bedankte. Hij, en de andere boekenliefhebber die mede zijn deel aan de bezigtiging hebben zou, moesten namelijk eerst splinternieuwe kamerjaponnen over hunne kleeding en splinternieuwe muilen over hun schoeisel aantrekken: eerst dan zou de deur van het heiligdom hun worden ontsloten!’

Je kunt niet uitsluiten dat bij deze teksten, die het karakter hebben van roddels, afgunst een rol speelde, maar zeker is dat Van Westreenen zijn collectie boeken en handschriften nooit aan wetenschappers of onderzoekers liet zien.

Het klopt overigens niet dat Van Westreenen nooit over zijn boeken publiceerde. Zo verscheen in 1809 zijn Verhandeling over de uitvinding der boekdrukkunst; in Holland oorspronkelijk uitgedacht, te Straatsburg verbeterd en te Mentz [= Mainz] voltooid. Wel ging het hier om een boek met een waterhoofd – hij voegde 124 bladzijden met bronnen toe aan een verhandeling van slechts 58 pagina’s. Bovendien wemelde het boek van de drukfouten, wat Van Westreenen indertijd op forse kritiek kwam te staan.

Op de Verhandeling volgden nog enkele artikelen. Zo publiceerde Van Westreenen in 1815 een uitvoerig overzicht van de stukken die de Fransen uit wetenschappelijke verzamelingen en kunstverzamelingen hadden geroofd. In andere artikelen deed hij gedetailleerd verslag van buitenlandse veilingen, waarbij hij er steevast op wees dat bepaalde boekwerken of oudheden door hem waren gekocht of al in zijn bezit waren.

Is het Willem van Westreenen gelukt om de ambities die hij als veertienjarige jongen had, waar te maken? Is hij de boek-wurm geworden die hem voor ogen stond?

Niet als je onder boekenwurm een geleerde verstaat die doortimmerde boeken schrijft. Van Westreenen was geen goede bibliograaf, noch een wetenschappelijk onderzoeker. Hij heeft nooit een substantiële bijdrage geleverd aan de geschiedschrijving van de boekdrukkunst. Zijn leven lang bleef hij, in de woorden van conservator Jos van Heel, ´een dilettant’.

Toch wist Van Westreenen veel over de dingen die hij verzamelde: naast boeken en handschriften ook Egyptische, Griekse, Romeinse en Germaanse oudheden, munten, penningen en kunstvoorwerpen.

Zijn grootste kracht was echter zijn verzamelwoede. Hij begon al op zijn twaalfde met verzamelen en ging er tot zijn dood mee door – rusteloos en met grote vastberadenheid. Van Westreenen had wat dit betreft zijn tijd mee. Het eind van de 18de eeuw en het begin van de 19de eeuw was namelijk een gouden tijd voor verzamelaars. In 1773 had paus Clemens de jezuïetenorde verboden; in 1782 verbood de Duitse keizer Jozef II de zogenoemde contemplatieve kloosterorden en tijdens de Franse Revolutie (1789-1801) volgde een golf van sluitingen van alle religieuze instellingen. Bovendien werd er tijdens de Franse Revolutie op grote schaal beslag gelegd op de bezittingen van edellieden.

Door dit alles kwamen ongekende hoeveelheden oude boeken en handschriften op de markt. Dat stelde verzamelaars als Van Westreenen in staat topstukken voor relatief lage prijzen te kopen. Dankzij zijn stalen geheugen – dat door diverse tijdgenoten wordt geroemd – en zijn koppige vasthoudendheid wist de baron een zeer fraaie en samenhangende collectie vroege drukken te verzamelen.

Op maatschappelijk gebied was Van Westreenen erg conservatief, maar in het verzamelen was hij beslist bij de tijd, zonder dat hij alle modes klakkeloos volgde. Hij lette goed op en beproefde nieuwe mogelijkheden en trends. Op het moment dat er Egyptische stukken op de markt kwamen, sloeg hij toe – als eerste in Nederland. Hij deed dat ook toen er Griekse vazen en Italiaanse panelen te koop werden aangeboden.

Van Westreenen kocht regelmatig uit catalogi die binnen- en buitenlandse handelaren hem toestuurden en hij liet op veilingen voor zich bieden. De vele verkoopcatalogi die hij naliet zijn nu een waardevolle bron voor bibliografisch en boekhistorisch onderzoek.

Op latere leeftijd trok Van Westreenen er ook zelf op uit. Tussen 1827 en 1846 maakte hij vijftien buitenlandse reizen – onder meer naar Duitsland, Italië, Hongarije en Ierland – mede om boeken en handschriften bij elkaar te brengen. Dankzij zijn zorgvuldige boekhouding is van veel boeken, handschriften en kunstvoorwerpen de herkomst precies na te gaan.

´Van de verzamelingen in Van Westreenen’s nalatenschap´, concludeerde W.A. Laseur in 1998, in een belangrijke studie over het Museum Meermanno, ´zijn die van de incunabelen en van de munten het meest evenwichtig en systematisch uitgebouwd. Toch zijn ook de andere collecties interessant, onder meer door de zeldzame of unieke stukken die zich erin bevinden. De grootste prestatie van Van Westreenen als verzamelaar zijn ongetwijfeld de verzamelingen middeleeuwse handschriften en incunabelen die hij bijeen wist te brengen – zijn incunabelcollectie is in ons land nog altijd de grootste, na die van de Koninklijke Bibliotheek.´

Toen Holtrop en Campbell de collectie uiteindelijk te zien kregen, na de dood van de baron, waren zij dan ook verbijsterd: de rijkdom en variëteit overtrof hun stoutste verwachtingen. En het was ook zo veel! De boeken lagen, schreef Holtrop in een verslag aan de minister van Binnenlandse Zaken, ´in secretaires, bureaux, kasten, laden en hoeken, meerendeels in pakken, door het geheele huis verspreid´. In 1849 werkten hij en Campbell maandenlang elke avond tot laat door om een eerste inventarisatie te maken. Het duurde uiteindelijk nog tot 1960 – ruim een eeuw! – voordat alle circa twintigduizend gedrukte werken en handschriften op een acceptabele wijze waren ontsloten.

Tot voorbij zijn dood was Baron van Westreenen terughoudend in het tonen van zijn schatten. In zijn testament had hij bepaald dat het museum slechts tweemaal per maand te bezichtigen zou zijn, voor personen die een introductie hadden gekregen van de bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek. Hij had ook laten vastleggen dat er nooit ´onder welk voorwendsel ook´ iets aan zijn collectie mocht worden toegevoegd of gewijzigd. Ook mocht er niks worden uitgeleend, ´opdat alles blijve in dien stand, waarin ik het zal hebben nagelaten; terwijl op den voorgevel van het gebouw mijn geslachtwapen zal worden geplaatst´.

Gelukkig hebben latere generaties zich niet bij al deze beperkingen neergelegd. Een museum waarin je nooit iets mag veranderen is een dood museum; en een museum met zulke beperkte bezoektijden, trekt natuurlijk nooit veel bezoekers (in de 19de eeuw bleef het aantal bezoekers beperkt tot enkele tientallen per jaar). Nadat in 1925 in het zogenoemde ´Museumwetje´ was bepaald dat al te knellende bepalingen in legaten aan openbare instellingen gewijzigd mochten worden, paste de Hoge Raad in 1935 de eerste vier artikelen in het testament van de baron aan. De bezoektijden werden verruimd, er mochten boeken en handschriften aan de KB worden uitgeleend en er mochten nieuwe aankopen worden gedaan, mits die strikt gescheiden werden gehouden van de oorspronkelijke collectie.

Later werd de speelruimte van het museum via Koninklijke Besluiten nog verder verruimd. De belangrijkste stap volgde in 1960: toen werd het Museum van het Boek onderdeel van het Museum Meermanno.

Wie nu dit huis van het boek aan de Prinsessegracht bezoekt, ziet dan ook twee musea ineen: op de eerste verdieping wordt men verrast door twee zalen die niet alleen bijzonder zijn door de boeken, handschriften en kunstvoorwerpen die er te zien zijn, maar ook door hun inrichting. Men wandelt hier recht de 19de eeuw in. Dit is een van de weinige musea in Nederland waar de 19de-eeuwse opstelling en inrichting bewaard is gebleven en je moet wel van hout zijn om hier niet van onder de indruk te raken.

Elders in het gebouw maakt men, deels via wisselende tentoonstellingen, kennis met de boekdrukkunst zoals die zich ontwikkelde na de dood van baron Van Westreenen. Sinds enkele decennia verzamelt het museum de moderne, Westerse boekkunst van 1850 tot heden. Het Museum van het Boek is het enige museum in Nederland dat zich geheel op de boekkunst richt. Niet de literaire inhoud, maar de uiterlijke aspecten van een boek zijn doorslaggevend in het verzamelbeleid. Men moet daarbij denken aan de typografie, de illustratie en de band. De boeken worden hier dus verzameld als voorwerpen van toegepaste kunst.

Voor dit onderdeel van de collectie dankt het museum veel aan de meesterdrukker Jean François van Royen (zie nummer 35 van deze catalogus) en aan de Utrechtse bibliofiel en mecenas M.R. Radermacher Schorer. Radermacher Schorer (1888-1956) bracht gedurende zijn leven duizenden moderne bibliofiele uitgaven uit binnen- en buitenland bijeen (zie nummer 42 van deze catalogus).

In totaal bezit het museum ruim 4000 boeken uit zijn collectie, die een breed en representatief overzicht geven van de hoogtepunten van de West-Europese boekkunst vanaf omstreeks 1890. Bijna alle belangrijke particuliere persen (private presses) uit Engeland, Duitsland en Nederland zijn met verschillende uitgaven vertegenwoordigd. Daarnaast geeft de collectie een vrijwel compleet beeld van de Nederlandse boekverzorging van 1920 tot 1950. In dat opzicht was het een ideale springplank voor latere aankopen op het gebied van de moderne boekkunst.

Enkele voorbeelden van schenkingen en aankopen sinds die tijd zijn de uitgebreide collectie margedrukwerk (onder andere: Frans de Jong, de Regulierenpers, Sub Signo Libelli), de jaarlijks bekroonde Best Verzorgde Boeken, collecties kalligrafie, Tsejchische avantgarde boeken, Canadese persen, miniatuurboeken, Amerikaanse pocketboeken, archieven van vormgevers en typografen (Dick Dooijes, Helmut Salden, Alexander Verberne, Aldert Witte), reclamedrukwerk van Stefan Schlesinger, affiches van K.F. Treebus, illustraties van Eppo Doeve en uitgeversarchieven (Brusse, Boucher, Van Goor, Stols, Stichting De Roos).

De aanwinsten – voor de oude of de moderne collectie - vormden vaak de aanleiding voor tentoonstellingen in het museum, zoals in 1965 bij de verwerving van een handschrift: ´Rondom de meesters van Catharina van Kleef´. De collectie Italiaanse incunabelen stond centraal in de tentoonstelling ´Vroege boekdrukkunst uit Italië´ (1987) en de restauratie van de ´´Hypnerotomachia Poliphili´´ gaf het museum in 2006 de gelegenheid voor de tentoonstelling ´Een droom van een boek. De betoverende kracht van de Hypnerotomachia Poliphili, Venetië 1499´.

De moderne collectie werd bijvoorbeeld getoond in de tentoonstellingen ´Jean François van Royen´ (1964), ´Het Nederlandse boek en de nieuwe kunst (1892-1906)´(1965), ´Jan van Krimpen´ (1967), ´S.L. Hartz´(1969), ´Dijsselhof, Nieuwenhuis en Lion Cachet´ (1977), ´Van William Morris tot Roswitha Quadflieg. Een eeuw private presses´ (1986) en ´Minnaar van het schoone boek. M.R. Radermacher Schorer´ (1998).

Ook werden tentoonstellingen gemaakt over zulke uiteenlopende onderwerpen als Nederlandse letterontwerpers, Haagse boekvormgeving, Paul Schuitema, Penguin boeken, de Insel Verlag, boeken in reeksen (´Het uiterlijk behang´, 1997) en kwamen de oude en de moderne collectie elkaar tegen in gezamenlijke tentoonstellingen zoals ´Beesten in de band: tien eeuwen dieren in boeken´ (1996) en ´Robert Schwarz, Getijdenboeken´ (2002).

Het museum maakt naast drie of vier grote tentoonstellingen zeven of acht kleinere exposities per jaar om de rijkdom van de eigen collectie en de wereld van het boek te tonen.

In de publicatie Boekengeluk zijn vijftig hoogtepunten uit de collectie van Museum Meermanno afgebeeld en beschreven: uit de moderne collectie en uit de collectie die is bijeengebracht door baron van Westreenen. Sommige stukken – de portretten, de bavelaar, de adelaarssteen – zijn opgenomen om meer over de bijzondere ontstaansgeschiedenis van dit museum te kunnen vertellen. De andere moeten worden gezien als representanten van de collectie. Zo bezit het museum 372 voorwerpen uit het oude Egypte, maar worden er in deze catalogus slechts twee beschreven: een papyrus en de mummie van een kat. Het museum bezit allerlei letterontwerpen; hier wordt alleen stilgestaan bij de Romulus-ontwerpen door Jan van Krimpen.

De hoogtepunten zijn geselecteerd door de diverse conservatoren van het museum, in overleg met de stafleden. Jos van Heel tekende voor de oude collectie, Paul van Capelleveen en bibliothecaris Rickey Tax voor de moderne collectie. Alle drie verleenden zij hun ruimhartige medewerking, waarvoor veel dank. Vooral bij nummer 18 in deze catalogus, een boek dat deels in blokdruk en deels in boekdruk is uitgevoerd, had ik veel hulp van Van Heel nodig, simpelweg omdat de technische kanten van deze zaak mij boven de pet gingen. Voor Van Westreenen was dit juist een heel belangrijk werk: hij dacht hiermee een bewijsstuk in handen te hebben dat de boekdrukkunst in Nederland was uitgevonden.

Overigens begon Van Westreenen in 1828 zelf aan een catalogus met hoogtepunten uit zijn verzameling gedrukte werken. Maar die catalogus is, net als diverse andere geschriften van de baron, nooit gepubliceerd.

Tot slot een persoonlijk woord: ik kende de collectie van het Museum Meermanno slechts oppervlakkig toen ik aan deze catalogus begon. Terugkijkend moet ik zeggen dat ik daarmee echt iets heb gemist. De topstukken, de grote en interessante archieven, de gigantische collectie ex libris en bovenal de indrukwekkende kennis bij de conservatoren en medewerkers maken het Meermanno tot een museum om geregeld te bezoeken en te bevragen.

Ewoud Sanders